MuseumService Payoff
Joke
Joke
Weststrate
vrijdag 10 juli 2015
Míro, ZERO en mode & Matisse
Het is feest in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Naast De oase van Matisse (t/m 16 augustus!), is er de tentoonstelling ZERO: Let Us Explore the Stars te bezoeken. Een expositie waar ik met een brede glimlach en jeukende handen en benen doorheen liep. Ik wilde de kunst aanraken en er soms bovenop springen. Ik houd van zintuigprikkelende kunst. Helemaal als ze dan ook nog eens gemaakt is van gebruiksmateriaal. Spijkers, plastic zakjes met water, papier, eierdoosjes, bierflesjes etc.ZEROIk had er nog nooit van de ZEROgroep gehoord. ‘We hebben ook echt het idee dat we iets in de kunstcanon rechtzetten,’ zei een dame van de persafdeling tijdens de perspresentatie toen ik bekende een ZERO-maagd te zijn. ‘Na de oorlog was er in de kunstscène vooral aandacht voor wat er in Amerika gebeurde, maar dit was eveneens gaande.’ Na de Tweede Wereldoorlog zocht een jonge groep kunstenaars naar radicale nieuwe manieren om kunst te maken. Ze vonden elkaar in hun optimistische, experimentele en innovatieve houding. In Duitsland noemde de kunstbeweging zich ZERO, de Nederlandse evenknie koos voor de Nul-groep en was opgericht door de kunstenaars Armando, Jan Henderikse, Henk Peeters, Jan Schoonhoven en herman de vries. In Frankrijk, Italië en België volgden gelijk gestemde kunstenaars een zelfde artistiek pad. MíroVoor wie na het Stedelijk nog steeds hongerig is naar naoorlogse kunst: in de tuin van het Rijksmuseum (die overigens helemaal af is!) zijn er 21 sculpturen van Míro te bekijken. Gratis. Joan Miró maakt twee typen sculpturen. Assemblages van voorwerpen uit de natuur (keien, boomstronken, wortels) of dagelijks leven (hooivork, kraan, etalagepop) én volumineuze gestalten met ronde en sensuele vormen die herinneren aan zijn geschilderde figuren. Beiden staan in de tuin. Bij de opening een aantal weken geleden proseerde voor zijn lievelings sculptuur - de vier meter hoge Oiseau lunaire - dat voor het eerst tentoon wordt gesteld. Wat een perfect zomeruitje zo bij elkaar.
Joke
Joke
Weststrate
woensdag 13 mei 2015
Toekomst van musea
Dat was een interessant Salon Muséologie, donderdag 7 mei. Onder het mom ‘een ideaal is geen plan’ werd de toekomst van musea besproken. Ik had verwacht dat het over digitale toepassingen zou gaan. Hoe videogames tekstbordjes in het museum zouden kunnen vervangen, om maar iets te noemen. Maar deze avond ging de digitale toepassingen voorbij. De cruciale en bijzonder interessante vraag waarmee iedereen naar huis werd gestuurd was: wat is het bestaansrecht van je museum? Stel je de mogelijkheden voor als iedere erfgoedinstelling deze vraag in alle vrijheid kan beantwoorden, in samenwerking met andere partijen. Bijvoorbeeld de bedrijven waarmee zij al sinds jaar en dag samenwerken. En dat er geëxperimenteerd kan worden met tijd, ruimte en plaats. Ik vermoed dat er een heel nieuwe wereld opengaat. ZeitgeistDe bijeenkomst was opgezet rond de scriptie van Tim Sprenger, ‘Musea in de nieuwe Zeitgeist’ met als ondertitel ‘Een onderzoek naar de verschillende toekomstvisies van musea in Nederland en de verschillende visies over de nieuwe Zeitgeist’. Sprenger vroeg zich af hoe het toch kon dat bijna alle facetten in de samenleving aan het kantelen zijn, zoals dat in VPRO’s documentaireserie Tegenlicht zo mooi wordt weergegeven. Ons huidige politieke en economische systeem loopt op zijn laatste pootjes. Het neoliberalisme heeft volgens velen afgedaan en overal ontstaan (lokale) initiatieven om onze maatschappij anders in te richten als het gaat om zorg, arbeids- en woningmarkt, onderwijs, energie en voedsel. De hierarchische ingerichte samenleving wordt langzamerhand overruled door een samenleving die bestaat uit elkaar overlappende netwerken. Steeds lijkt het menselijk maken van de maatschappij het streven. In alle boeken die Sprenger las over deze kantelende maatschappij kwam hij niet een keer een hoofdstuk tegen over de culturele sector. Hoe kan dat, vroeg hij zich als student van de Reinwardt Academie af. En hoe zit het met de toekomst van de erfgoed sector? Wordt daar over nagedacht door de sector zelf en hoe dan?ToekomstvisiesDankzij gespreksleider Marjelle van Hoorn bleef de salon de hele avond gericht op de toekomstvraag en kon het gesprek niet een keer afglijden naar de dagelijkse werkelijkheid van de wensen van de huidige bezoeker. Of naar de beperkingen van het budget en opgelegde taken en verantwoordelijkheden. Er werd gekeken naar de verschillende toekomstvisies voor musea die grofweg in te delen is in twee manieren. De maatschappelijke veranderingen volgend, zoals min of meer in Agenda 2016 van Museumvereniging staat omschreven. Of de toekomst mede vormgevend, zoals in Museums 2020 van de Britse Museums Association. Natuurlijk was niet iedereen het met elkaar eens, maar bijna iedereen bleef na afloop verder praten. Er lijkt absoluut een zaadje te zijn geplant en ik zie uit naar vervolgavonden en brainstormsessies met geïnteresseerden uit alle sectoren.
Joke
Joke
Weststrate
donderdag 7 mei 2015
Tram 9 naar Diemen
De trein van Utrecht naar Amsterdam zat propvol opa’s, oma’s en kleinkinderen. Tram 9 naar Diemen eveneens. Even dacht ik verheugd dat ze en masse op weg waren naar het Joods Historisch Museum, of - net als ik - naar het Tropenmuseum. Maar bij Artis liep een groot deel van de tram leeg. Gelukkig was het ook in het museum druk. Suppoost Saima, die ik interviewde voor onze rubriek 'Suppoost' (in de nieuwsbrief van juni maakt u kennis met haar), vertelde dat het museum ontzettend goed bezocht wordt deze meivakantie. Verder hadden we een bijzonder gesprek over werken in het museum dat, dankzij de collectie in het Tropenmuseum, als snel ging over vooroordelen, aannames, samenleven en discriminatie. En door haar favoriete kunstwerk, ook over de dood. Dat bleek het thema van de dag. Na het Tropenmuseum vervolgde ik mijn tocht met tram 9 naar mijn volgende interviewadresje, museum ToT Zover op begraafplaats De Nieuwe Ooster, om daar suppoost Fred (deze maand in MUSE) te spreken. Ook dat werd een gesprek over vooroordelen, verschil in overtuiging en hoe dat tot uiting komt bij begraven en hoe de dood op die manier veel over het leven zegt. En anders dan de onderwerpen wellicht doen vermoeden was het geen zwaar-op-de-hand-dag. Juist niet. Het waren allebei gesprekken die ruimte geven. Die het leven perspectief geven, het meer laten zijn dan een race naar succes en geluk. En in de trein terug bedacht ik me dat hoe belangrijk technologische ontwikkelingen ook zijn om musea dichter bij bezoekers te krijgen, zonder mensen die verhalen kunnen vertellen en gesprekken durven aan te gaan verliezen musea hun grootste kracht: een bredere blik bieden op het (samen)leven. Dat klinkt vast klef, maar ik ben er van overtuigd dat dat bijdraagt aan een betere samenleving. En dat klinkt dan vast weer hoogdravend. Dat is dan maar zo.
 
maandag 2 september 2013
Musea als historische antropologie instellingen

Op de achterpagina van NRC Handelsblad stond onlangs het artikeltje Parijse slagerij werd rokersmuseum. Een privémuseum waarin het roken centraal staat, niet tabak of rookmaterialen. Er worden ook e-sigaretten verkocht (de sigaret blijkt namelijk passé te zijn; Fransen roken elektronisch). De auteur schreef het zelf al: Le Musée du Fumeur is een merkwaardig museum, vol met foto’s en objecten, zoals aardewerken pijpen, antieke aanstekers, snuifdozen en andere snuisterijen. Van dat soort musea zijn er meer in Frankrijk (en waarschijnlijk in de hele wereld).

Nogal wat jaren geleden belandde ik in het Nogamuseum in Montélimar - niet tot mijn plezier, want ik houd niet van noga. Afgelopen zomer reed ik langs het in een brochure als museum aangeprezen La maison du miel in de Hautes-Alpes (ik ben er niet naar binnen gegaan, want van honing houd ik evenmin). En ongetwijfeld is in een donkere bergkloof in de Auvergne het Saint-Nectaire-museum gevestigd, waar de geschiedenis en het productieproces van dit riekende kaasje worden tentoongesteld. De Saint-Nectaire kan ik overigens aanbevelen, maar eet ’m niet vroeg op de dag; daarvoor is ie te ‘zwaar op de tong’ en smaakt ie teveel naar vochtige kelder.

Wanneer is een museum een museum? Een museum is een gebouw, waarin voorwerpen van kunst of wetenschap worden tentoongesteld, zegt Van Dale. Dat is een wel heel Spartaanse beschrijving. Wikipedia noemt het museum een instelling die materiële en immateriële getuigenissen van de mens en zijn omgeving verzamelt, bewaart, onderzoekt en tentoonstelt en hierover informatie verstrekt voor studie, educatie en recreatie. Een vollediger beschrijving, vind ik.

Hoewel veel mensen musea waarschijnlijk zullen associëren met verzamelingen schilderijen, beeldhouwwerken en andere kunstvoorwerpen, en wellicht met verzamelingen van natuur- of technisch-historische wetenschappelijke voorwerpen of met gebouwen die aan bepaalde personen zijn gewijd, zegt Wikipedia naar mijn mening hier iets essentieels: het museum als verzamelplaats van materiële en immateriële getuigenissen van de mens en zijn omgeving.

Kan een honingmuseum zo beschouwd als museum worden aangemerkt? Of een museum over klompenmakers, wolspinners of touwslagers? Wis en waarachtig. Hoewel deze doorgaans lokale instellingen qua opzet misschien beperkt mogen zijn, verdienen ze wel degelijk de benaming museum. Ze vertellen ons veel over de streekgeschiedenis, de regionale economie, de mentaliteit van de omgeving en het dagelijkse leven van mensen in een gemeenschap gedurende een bepaalde periode. Ze geven een lesje in microgeschiedenis als vorm van cultuurgeschiedenis. Ze zijn instellingen voor historische antropologie.

Nederland telt talloze van dergelijke musea: het Nederlands Zilvermuseum in Schoonhoven, het Harlinger Aardewerkmuseum, Museum De Heksenwaag in Oudewater, Streekmuseum Het Dorp van Bartje in het Drentse Rolde, het Nederlands Leder en Schoenenmuseum in Waalwijk, het Nationaal Tinnen Figuren Museum in Ommen.

In het zomeravondgesprek tussen historicus Maarten van Rossem en kunsthistoricus Henk van Os, deze zomer in NRC Handelsblad, zegt Van Rossem: ‘Ik ben trouwens geen voorstander van een Nationaal Historisch Museum. In plaats daarvan zou je mensen Nederland moeten laten bereizen […].’ Van Os: ‘Dát is mijn ideaal. Precies wat jij nu zegt. Ik was ook zo tegen dat Nationaal Historisch Museum; Nederland is één groot museum.’

En daar ben ik het roerend mee eens. Wie de geschiedenis van Nederland wil leren kennen, zou eens wat vaker en bewuster in eigen land moeten rondreizen en al die lokale musea bezoeken.

Onno Kronenberg

Redacteur, historicus, pianist

reacties (0)
abonneer je op
onze nieuwsbrief