MuseumService Payoff
Joke
Joke
Weststrate
vrijdag 10 juli 2015
Míro, ZERO en mode & Matisse
Het is feest in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Naast De oase van Matisse (t/m 16 augustus!), is er de tentoonstelling ZERO: Let Us Explore the Stars te bezoeken. Een expositie waar ik met een brede glimlach en jeukende handen en benen doorheen liep. Ik wilde de kunst aanraken en er soms bovenop springen. Ik houd van zintuigprikkelende kunst. Helemaal als ze dan ook nog eens gemaakt is van gebruiksmateriaal. Spijkers, plastic zakjes met water, papier, eierdoosjes, bierflesjes etc.ZEROIk had er nog nooit van de ZEROgroep gehoord. ‘We hebben ook echt het idee dat we iets in de kunstcanon rechtzetten,’ zei een dame van de persafdeling tijdens de perspresentatie toen ik bekende een ZERO-maagd te zijn. ‘Na de oorlog was er in de kunstscène vooral aandacht voor wat er in Amerika gebeurde, maar dit was eveneens gaande.’ Na de Tweede Wereldoorlog zocht een jonge groep kunstenaars naar radicale nieuwe manieren om kunst te maken. Ze vonden elkaar in hun optimistische, experimentele en innovatieve houding. In Duitsland noemde de kunstbeweging zich ZERO, de Nederlandse evenknie koos voor de Nul-groep en was opgericht door de kunstenaars Armando, Jan Henderikse, Henk Peeters, Jan Schoonhoven en herman de vries. In Frankrijk, Italië en België volgden gelijk gestemde kunstenaars een zelfde artistiek pad. MíroVoor wie na het Stedelijk nog steeds hongerig is naar naoorlogse kunst: in de tuin van het Rijksmuseum (die overigens helemaal af is!) zijn er 21 sculpturen van Míro te bekijken. Gratis. Joan Miró maakt twee typen sculpturen. Assemblages van voorwerpen uit de natuur (keien, boomstronken, wortels) of dagelijks leven (hooivork, kraan, etalagepop) én volumineuze gestalten met ronde en sensuele vormen die herinneren aan zijn geschilderde figuren. Beiden staan in de tuin. Bij de opening een aantal weken geleden proseerde voor zijn lievelings sculptuur - de vier meter hoge Oiseau lunaire - dat voor het eerst tentoon wordt gesteld. Wat een perfect zomeruitje zo bij elkaar.
Joke
Joke
Weststrate
woensdag 13 mei 2015
Toekomst van musea
Dat was een interessant Salon Muséologie, donderdag 7 mei. Onder het mom ‘een ideaal is geen plan’ werd de toekomst van musea besproken. Ik had verwacht dat het over digitale toepassingen zou gaan. Hoe videogames tekstbordjes in het museum zouden kunnen vervangen, om maar iets te noemen. Maar deze avond ging de digitale toepassingen voorbij. De cruciale en bijzonder interessante vraag waarmee iedereen naar huis werd gestuurd was: wat is het bestaansrecht van je museum? Stel je de mogelijkheden voor als iedere erfgoedinstelling deze vraag in alle vrijheid kan beantwoorden, in samenwerking met andere partijen. Bijvoorbeeld de bedrijven waarmee zij al sinds jaar en dag samenwerken. En dat er geëxperimenteerd kan worden met tijd, ruimte en plaats. Ik vermoed dat er een heel nieuwe wereld opengaat. ZeitgeistDe bijeenkomst was opgezet rond de scriptie van Tim Sprenger, ‘Musea in de nieuwe Zeitgeist’ met als ondertitel ‘Een onderzoek naar de verschillende toekomstvisies van musea in Nederland en de verschillende visies over de nieuwe Zeitgeist’. Sprenger vroeg zich af hoe het toch kon dat bijna alle facetten in de samenleving aan het kantelen zijn, zoals dat in VPRO’s documentaireserie Tegenlicht zo mooi wordt weergegeven. Ons huidige politieke en economische systeem loopt op zijn laatste pootjes. Het neoliberalisme heeft volgens velen afgedaan en overal ontstaan (lokale) initiatieven om onze maatschappij anders in te richten als het gaat om zorg, arbeids- en woningmarkt, onderwijs, energie en voedsel. De hierarchische ingerichte samenleving wordt langzamerhand overruled door een samenleving die bestaat uit elkaar overlappende netwerken. Steeds lijkt het menselijk maken van de maatschappij het streven. In alle boeken die Sprenger las over deze kantelende maatschappij kwam hij niet een keer een hoofdstuk tegen over de culturele sector. Hoe kan dat, vroeg hij zich als student van de Reinwardt Academie af. En hoe zit het met de toekomst van de erfgoed sector? Wordt daar over nagedacht door de sector zelf en hoe dan?ToekomstvisiesDankzij gespreksleider Marjelle van Hoorn bleef de salon de hele avond gericht op de toekomstvraag en kon het gesprek niet een keer afglijden naar de dagelijkse werkelijkheid van de wensen van de huidige bezoeker. Of naar de beperkingen van het budget en opgelegde taken en verantwoordelijkheden. Er werd gekeken naar de verschillende toekomstvisies voor musea die grofweg in te delen is in twee manieren. De maatschappelijke veranderingen volgend, zoals min of meer in Agenda 2016 van Museumvereniging staat omschreven. Of de toekomst mede vormgevend, zoals in Museums 2020 van de Britse Museums Association. Natuurlijk was niet iedereen het met elkaar eens, maar bijna iedereen bleef na afloop verder praten. Er lijkt absoluut een zaadje te zijn geplant en ik zie uit naar vervolgavonden en brainstormsessies met geïnteresseerden uit alle sectoren.
Joke
Joke
Weststrate
donderdag 7 mei 2015
Tram 9 naar Diemen
De trein van Utrecht naar Amsterdam zat propvol opa’s, oma’s en kleinkinderen. Tram 9 naar Diemen eveneens. Even dacht ik verheugd dat ze en masse op weg waren naar het Joods Historisch Museum, of - net als ik - naar het Tropenmuseum. Maar bij Artis liep een groot deel van de tram leeg. Gelukkig was het ook in het museum druk. Suppoost Saima, die ik interviewde voor onze rubriek 'Suppoost' (in de nieuwsbrief van juni maakt u kennis met haar), vertelde dat het museum ontzettend goed bezocht wordt deze meivakantie. Verder hadden we een bijzonder gesprek over werken in het museum dat, dankzij de collectie in het Tropenmuseum, als snel ging over vooroordelen, aannames, samenleven en discriminatie. En door haar favoriete kunstwerk, ook over de dood. Dat bleek het thema van de dag. Na het Tropenmuseum vervolgde ik mijn tocht met tram 9 naar mijn volgende interviewadresje, museum ToT Zover op begraafplaats De Nieuwe Ooster, om daar suppoost Fred (deze maand in MUSE) te spreken. Ook dat werd een gesprek over vooroordelen, verschil in overtuiging en hoe dat tot uiting komt bij begraven en hoe de dood op die manier veel over het leven zegt. En anders dan de onderwerpen wellicht doen vermoeden was het geen zwaar-op-de-hand-dag. Juist niet. Het waren allebei gesprekken die ruimte geven. Die het leven perspectief geven, het meer laten zijn dan een race naar succes en geluk. En in de trein terug bedacht ik me dat hoe belangrijk technologische ontwikkelingen ook zijn om musea dichter bij bezoekers te krijgen, zonder mensen die verhalen kunnen vertellen en gesprekken durven aan te gaan verliezen musea hun grootste kracht: een bredere blik bieden op het (samen)leven. Dat klinkt vast klef, maar ik ben er van overtuigd dat dat bijdraagt aan een betere samenleving. En dat klinkt dan vast weer hoogdravend. Dat is dan maar zo.
 
Geplaatst op 10 juli 2015
door Joke
Míro, ZERO en mode & Matisse

Het is feest in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Naast De oase van Matisse (t/m 16 augustus!), is er de tentoonstelling ZERO: Let Us Explore the Stars te bezoeken. Een expositie waar ik met een brede glimlach en jeukende handen en benen doorheen liep. Ik wilde de kunst aanraken en er soms bovenop springen. Ik houd van zintuigprikkelende kunst. Helemaal als ze dan ook nog eens gemaakt is van gebruiksmateriaal. Spijkers, plastic zakjes met water, papier, eierdoosjes, bierflesjes etc.




ZERO

Ik had er nog nooit van de ZEROgroep gehoord. ‘We hebben ook echt het idee dat we iets in de kunstcanon rechtzetten,’ zei een dame van de persafdeling tijdens de perspresentatie toen ik bekende een ZERO-maagd te zijn. ‘Na de oorlog was er in de kunstscène vooral aandacht voor wat er in Amerika gebeurde, maar dit was eveneens gaande.’ Na de Tweede Wereldoorlog zocht een jonge groep kunstenaars naar radicale nieuwe manieren om kunst te maken. Ze vonden elkaar in hun optimistische, experimentele en innovatieve houding. In Duitsland noemde de kunstbeweging zich ZERO, de Nederlandse evenknie koos voor de Nul-groep en was opgericht door de kunstenaars Armando, Jan Henderikse, Henk Peeters, Jan Schoonhoven en herman de vries. In Frankrijk, Italië en België volgden gelijk gestemde kunstenaars een zelfde artistiek pad.


Míro

Voor wie na het Stedelijk nog steeds hongerig is naar naoorlogse kunst: in de tuin van het Rijksmuseum (die overigens helemaal af is!) zijn er 21 sculpturen van Míro te bekijken. Gratis. Joan Miró maakt twee typen sculpturen. Assemblages van voorwerpen uit de natuur (keien, boomstronken, wortels) of dagelijks leven (hooivork, kraan, etalagepop) én volumineuze gestalten met ronde en sensuele vormen die herinneren aan zijn geschilderde figuren. Beiden staan in de tuin. Bij de opening een aantal weken geleden proseerde voor zijn lievelings sculptuur - de vier meter hoge Oiseau lunaire - dat voor het eerst tentoon wordt gesteld. Wat een perfect zomeruitje zo bij elkaar.





















Geplaatst op 13 mei 2015
door Joke
Toekomst van musea

Dat was een interessant Salon Muséologie, donderdag 7 mei. Onder het mom ‘een ideaal is geen plan’ werd de toekomst van musea besproken. Ik had verwacht dat het over digitale toepassingen zou gaan. Hoe videogames tekstbordjes in het museum zouden kunnen vervangen, om maar iets te noemen. Maar deze avond ging de digitale toepassingen voorbij. De cruciale en bijzonder interessante vraag waarmee iedereen naar huis werd gestuurd was: wat is het bestaansrecht van je museum? Stel je de mogelijkheden voor als iedere erfgoedinstelling deze vraag in alle vrijheid kan beantwoorden, in samenwerking met andere partijen. Bijvoorbeeld de bedrijven waarmee zij al sinds jaar en dag samenwerken. En dat er geëxperimenteerd kan worden met tijd, ruimte en plaats. Ik vermoed dat er een heel nieuwe wereld opengaat.




Zeitgeist

De bijeenkomst was opgezet rond de scriptie van Tim Sprenger, ‘Musea in de nieuwe Zeitgeist’ met als ondertitel ‘Een onderzoek naar de verschillende toekomstvisies van musea in Nederland en de verschillende visies over de nieuwe Zeitgeist’. Sprenger vroeg zich af hoe het toch kon dat bijna alle facetten in de samenleving aan het kantelen zijn, zoals dat in VPRO’s documentaireserie Tegenlicht zo mooi wordt weergegeven. Ons huidige politieke en economische systeem loopt op zijn laatste pootjes. Het neoliberalisme heeft volgens velen afgedaan en overal ontstaan (lokale) initiatieven om onze maatschappij anders in te richten als het gaat om zorg, arbeids- en woningmarkt, onderwijs, energie en voedsel. De hierarchische ingerichte samenleving wordt langzamerhand overruled door een samenleving die bestaat uit elkaar overlappende netwerken. Steeds lijkt het menselijk maken van de maatschappij het streven. In alle boeken die Sprenger las over deze kantelende maatschappij kwam hij niet een keer een hoofdstuk tegen over de culturele sector. Hoe kan dat, vroeg hij zich als student van de Reinwardt Academie af. En hoe zit het met de toekomst van de erfgoed sector? Wordt daar over nagedacht door de sector zelf en hoe dan?


Toekomstvisies

Dankzij gespreksleider Marjelle van Hoorn bleef de salon de hele avond gericht op de toekomstvraag en kon het gesprek niet een keer afglijden naar de dagelijkse werkelijkheid van de wensen van de huidige bezoeker. Of naar de beperkingen van het budget en opgelegde taken en verantwoordelijkheden. Er werd gekeken naar de verschillende toekomstvisies voor musea die grofweg in te delen is in twee manieren. De maatschappelijke veranderingen volgend, zoals min of meer in Agenda 2016 van Museumvereniging staat omschreven. Of de toekomst mede vormgevend, zoals in Museums 2020 van de Britse Museums Association. Natuurlijk was niet iedereen het met elkaar eens, maar bijna iedereen bleef na afloop verder praten. Er lijkt absoluut een zaadje te zijn geplant en ik zie uit naar vervolgavonden en brainstormsessies met geïnteresseerden uit alle sectoren.


Geplaatst op 7 mei 2015
door Joke
Tram 9 naar Diemen

De trein van Utrecht naar Amsterdam zat propvol opa’s, oma’s en kleinkinderen. Tram 9 naar Diemen eveneens. Even dacht ik verheugd dat ze en masse op weg waren naar het Joods Historisch Museum, of - net als ik - naar het Tropenmuseum. Maar bij Artis liep een groot deel van de tram leeg. Gelukkig was het ook in het museum druk. Suppoost Saima, die ik interviewde voor onze rubriek 'Suppoost' (in de nieuwsbrief van juni maakt u kennis met haar), vertelde dat het museum ontzettend goed bezocht wordt deze meivakantie. Verder hadden we een bijzonder gesprek over werken in het museum dat, dankzij de collectie in het Tropenmuseum, als snel ging over vooroordelen, aannames, samenleven en discriminatie. En door haar favoriete kunstwerk, ook over de dood.


Dat bleek het thema van de dag. Na het Tropenmuseum vervolgde ik mijn tocht met tram 9 naar mijn volgende interviewadresje, museum ToT Zover op begraafplaats De Nieuwe Ooster, om daar suppoost Fred (deze maand in MUSE) te spreken. Ook dat werd een gesprek over vooroordelen, verschil in overtuiging en hoe dat tot uiting komt bij begraven en hoe de dood op die manier veel over het leven zegt. En anders dan de onderwerpen wellicht doen vermoeden was het geen zwaar-op-de-hand-dag. Juist niet. Het waren allebei gesprekken die ruimte geven. Die het leven perspectief geven, het meer laten zijn dan een race naar succes en geluk. En in de trein terug bedacht ik me dat hoe belangrijk technologische ontwikkelingen ook zijn om musea dichter bij bezoekers te krijgen, zonder mensen die verhalen kunnen vertellen en gesprekken durven aan te gaan verliezen musea hun grootste kracht: een bredere blik bieden op het (samen)leven. Dat klinkt vast klef, maar ik ben er van overtuigd dat dat bijdraagt aan een betere samenleving. En dat klinkt dan vast weer hoogdravend. Dat is dan maar zo.




Geplaatst op 27 april 2015
door Joke
Toiletrolhouder van 10.000 euro

Ter ere van het dertigjarig bestaan van het tv-programma Tussen Kunst en Kitsch is er in Museum Flehite in Amersfoort een tentoonstelling over het succesvolle televisieformat: '30 jaar Tussen Kunst en Kitsch - 101 ontdekkingen'. Alle veertien experts van het programma hebben een eigen zaal of deel van een zaal om zijn of haar lievelingsontdekkingen te laten zien. En dat is een feestje. In de meeste bijschriften staat hoe de ontdekking zijn entree maakte bij Tussen Kunst en Kitsch. Zoals bijvoorbeeld de blauwe karaf met diamantlijngravure van de tekst ‘Gebruik elk ding tot nut’ uit 1686. Bij de persoon die deze kunstschat meebracht naar de uitzending op 23 oktober 2013, stond de karaf in een nisje op de schoorsteenmantel, terwijl haar katten er ‘regelmatig langs jakkerden’. Waarde: 70.000 euro. Inmiddels staat de fles in het glasmuseum Hentrich in Düsseldorf, waar juist dit type gekalligrafeerd glas ontbrak in de belangrijke glascollectie.



‘Dat gebeurt vaker,’ vertelt expert en initiator van de tentoonstelling Frank Welkenhuysen. ‘Mensen worden overweldigd door de hoge waarde van hun schat. Ineens is de verantwoordelijkheid om het kunstwerk zelf in bewaring te hebben te groot.’ Nog zo’n heerlijk voorbeeld is die van de bronzen penkandelaar uit omstreeks 1400. Misschien wel het meest memorabele moment uit de geschiedenis van Tussen Kunst en Kitsch, omdat het precies de kracht van het programma symboliseert: de hoop dat je een extreem waardevol kunstvoorwerp in de plastic tas hebt zitten. Tijdens een opnamedag in 2004 in Leeuwarden haalden bezoekers een penkandelaar uit de tas. Het voorwerp hoorde bij een van de boedels zat die zij hadden opgekocht. Ze hadden geen idee wat het was en gebruikten de kandelaar als toiletrolhouder. Expert Jan Beekhuizen was al enthousiast toen hij alleen nog maar het topje van de kandelaar zag. Op bronsgebied was de kandelaar het meest zeldzame object dat hij in twintig jaar aan zijn tafel kreeg. Waarde 10.000 euro. De vondst haalde destijds de kranten, bij De Telegraaf de voorpagina.


En zo is de tentoonstelling het tv-programma in museumvorm. Hetzelfde geldt voor het boek over de tentoonstelling met daarin veel foto’s en aansprekende anekdotes van de experts. ‘Zo kwam er er eens iemand met een tinnen theepotje bij Beekhuizen. ‘’Het was duidelijk gemaakt in het begin van de twintigste eeuw en dat vertelde ik ook. Maar de mensen waren ervan overtuigd dat het is 1574 gemaakt was, omdat het op de bodem stond. Ik heb ze maar uitgelegd dat dat geen jaartal is, maar een serienummer! En dat we in de zestiende eeuw nog helemaal geen thee kenden in Europa ...’’ ‘

Museumdirecteur Onno Maurer en expert Frank Welkenhuysen


Tussen Kunst en Kitsch viel overigens al direct in de eerste uitzending in 1984 met zijn neus in de boter. De makers werden verrast door een bijzondere vondst: een opklapbare zilveren vork en lepel uit de zeventiende eeuw ter waarde van 15.000 euro. Een ontdekking in 2006 leidde tot een eerdere tentoonstelling in Museum Flehite. In dat jaar toonde meneer Dik Mintjes een aantal schilderijnen aan Welkenhuysen, die daarin het werk van de Amersfoortse schilder Albert Fiks herkende, een Amersfoortse schilder. Welkenhuysen bracht de eigenaar in contact met het Amersfoortse museum, wat resulteerde in een tentoonstelling en monografie over de vergeten kunstenaar. Logisch dus dat ‘101 ontdekkingen’ een thuis heeft gevonden in hetzelfde museum. Dat kan niet anders dan een publiekstrekker worden. De tentoonstelling wordt afgesloten met een wand vol kitsch. Nou ja, één voorwerp is kunst. Aan de bezoeker om eruit te halen welke dat is …



Museum Flehite


Geplaatst op 29 maart 2015
door Joke
Body Art
De poster van de tentoonstelling 'Body Art' van het Tropenmuseum in mijn e-mailbox intrigeerde me. Een zwarte achtergrond met een getatoeëerd mannengezicht. Een tribale tekening, leek het mij. Uit het begeleidende persbericht bleek de tentoonstelling te gaan over allerhande lichaamsversiering, in de breedste zin van het woord, van alle tijden, uit alle culturen. Dus ook uit de onze. Tatoeages, piercings, onderhuidse implantaten, schedelvervorming, maar ook make-up. Uitgangspunt: Waarom passen mensen hun lichaam aan? En daar gaat mijn hart altijd sneller van kloppen: waarom doen mensen wat ze doen? Ergo: waarom doe ik wat ik doe? Ik ben een sucker voor alles wat draait om identiteit, per omgaande gaf ik me op voor de presentatie.




6 x waarom
Zo intrigerend als het klonk, ís de tentoonstelling. ‘Body Art’ geeft zes mogelijke antwoorden op de waarom-vraag. Lichaamsversiering draait 1. om eigenzinnigheid, anders willen zijn dan anderen. Een gespleten tong, uitgerekte oorlellen: dit ben ik. Of druist met graagte tegen normen en regels in. Zo dragen Iraanse jongeren trots hun door het regime verboden tatoeages. Of mensen tatoeëren hun lichaam vol, ook al vermindert dat kansen op succes in de samenleving. 2. Om aan te geven bij welke groep je hoort (en waar dus niet bij). Sekse, leeftijd of klasse, maar ook werk, smaak en hobby. 3. Omdat het mooi is. En schoonheid is natuurlijk in the eye of the beholder, maar tegelijkertijd bestaan er gedeelde opvattingen over wat mooi is. Zo laat ‘Body Art’ de mode van de ingesnoerde taille zien en dan snap je dat vrouwen destijds om de haverklap in katzwijm vielen. 4. Mensen verankeren hun levensverhaal op hun lichaam. Doen het voor de show (5). Met een versierde huid val je op in de strijd, tijdens feesten en op de bühne. Daartegenover staat de spirituele reden. Nummer 6. De link met de bovennatuurlijke wereld. Alleen al de pijn van het aanbrengen werk louterend, maar de de versiering zelf kan ook een spirituele waarde hebben. Geluk brengen, of bescherming bijvoorbeeld.

Waarom niet
Naast alle heftige en uitheemse versieringen toont ‘Body Art’ een filmpje van blogster Angela Loy van het beautyblog Macblogster. Daar kan ik mij mee identificeren. Loy vertelt waarom zij zich elke dag opmaakt. Minimaal, niks geks. Net als ik. Ze vergelijkt het met het inkleuren van een kleurplaat: iets - je gezicht - nóg iets mooier maken. En dat ze dat voor zichzelf doet, maar ook voor de ander, omdat ze het idee heeft dat ze anders benaderd wordt als ze haar gezicht heeft opgemaakt. Dat deed me denken aan schrijfster Leandra Medina van het succesvolle blog Man Repeller. Ze draagt geen make-up en daar kan niet iedereen mee omgaan. Nadat ze in een per ongeluk geforwarde e-mail las dat een toekomstige businesspartner aan zijn assistente het volgende over haar schreef ‘ "verrrrrry funny and smart," gevolgd door: ‘’She is ugly as fuck, tho. Truly a man repeller.", legde ze in een blog uit waarom ze geen make-up draagt. En zo zit er achter elk object en filmpje natuurlijk een wereld aan inzichten en informatie. Een intrigerende tentoonstelling in een warme en gezellig barokke setting, ontworpen door Kinkorn, daarover later op de website meer!

'Body Art' is t/m 30 augustus 2015 te zien in het Tropenmuseum





Geplaatst op 3 maart 2015
door Arjanti
DWDD PopulismeMuseum?

De opening van het DWDD Pop-Upmuseum in het Allard Pierson Museum in Amsterdam, was niet voor iedereen reden tot jubelen. Een televisieprogramma dat Bekende Nederlanders benoemde tot conservator riep de vragen op over de kwaliteit van de tentoonstelling. Reden voor de Salon de Museologie om de eerste discussieavond van 2015 over dit onderwerp te organiseren in het Architectuurcentrum Amsterdam (Arcam).

De avond werd geleid door Amanda Vollenweider en Max Meijer, respectievelijk organisator en oud-bestuurslid van de Salon. Het werd een ‘interne’ discussie, aangezien er vooral mensen uit het museale werkveld aanwezig waren. De bedoeling was dat het publiek actief deel zou nemen aan de discussie en door middel van hun plek in de zaal zich zouden opstellen in voor- en tegenstanders en twijfelaars. Uit de avond was niet één unaniem standpunt te distilleren. Daarvoor bleven de meningen te verdeeld. Ook waren er gedurende de avond maar een paar mensen voornamelijk aan het woord, ondanks de oproep van de discussieleiders aan iedereen om deel te nemen. Wellicht had het geholpen als de avond was gestart met een pleidooi van een duidelijke voor- en tegenstander.


De gastheer van het project, het Allard Piersonmuseum kreeg bij monde van Jan Willem Overdijk (hoofd Publiekszaken) goed de kans hun visie weer te geven. De voordelen zijn overduidelijk. In tien dagen tijd, waren er al 10.000 bezoekers geweest! Met deze tentoonstelling wordt de letterlijke vindbaarheid van het museum verbeterd. En ook de eigen collectie is als een soort rode draad bij de het project gebruikt, waardoor het niet bij een zuiver gastheerschap blijft. Door BN-ers als intermediair hun eigen verhaal te laten vertellen, voelt het publiek zich duidelijk meer betrokken bij de tentoonstelling. Het verhaal is persoonlijker, zoals vroeger musea ook uit persoonlijke curiosaverzamelingen ontstaan zijn. Vermoedelijk levert het geen herhalingsbezoek op, maar de tentoonstelling trekt zeker publiek dat anders nooit in musea komt.

Naast deze overduidelijke pluspunten, was er angst voor populisme en vroeg men zich af wat de kwaliteit en de inhoud van dergelijke initiatieven is. Doet een dergelijke expositie recht aan de kunst van tentoonstellen en verzamelen? De angst dat er voortaan alleen maar dit soort tentoonstellingen worden gemaakt, is volgens mij onterecht. Het idee van gastconservatoren is namelijk niet nieuw, zo heeft bijvoorbeeld voormalig koningin Beatrix in 2001 in het Stedelijk Museum een tentoonstelling samengesteld. En was de tentoonstelling 'Soulmade' van Jasper Krabbe in het Tropenmuseum de aanleiding voor dit DWDD initiatief? En is goed beschouwd eigenlijk niet iedere tentoonstelling een ‘pop-up’?

Het DWDD Pop-Upmuseum is nog tot en met 25 mei in het Allard Piersonmuseum te zien.

Arjanti is beschikbaar als projectcoördinator, informatiespecialist, registrator en collectiebeheerder voor cultureel erfgoed. Bekijk haar LinkedIn-pagina.


Geplaatst op 26 februari 2015
door Joke
ToT Zover
Een museum over de dood. Waarom ook niet. ToT Zover heet het. De twee t’s zijn kruisen. Ja, het museum heeft humor. Zo verkoopt het sleutelhangers met een houten doodskistje eraan, stickers met een schattig animatiemannetje met de zeis en om gratis mee te nemen ligt er een do it yourself doodskistje van karton om een klein huisdier, ‘vaak de eerste kennismaking met de dood’, in te begraven.

Meteen rechts bij de ingang van de Amsterdamse begraafplaats De Nieuwe Ooster is de ingang van het museum. Vanuit het museumcafé is te volgen wat er gebeurt op de begraafplaats. De in het zwart geklede mannen met hoed die zich achter een schuurtje klaarmaken voor het werk, bijvoorbeeld. En het binnentuintje is een binnenbegraafplaatsje, met prachtige oude graven. Het alledaagse van de voorbereiding en het zicht op de graven heeft iets vervreemdends en geruststellends tegelijkertijd. Net als de vaste tentoonstelling over de verschillende begrafenisrituelen en de tijdelijke tentoonstelling De Bedroefde Bolide, een eerbetoon aan de lijkwagen. Meer dan 300 foto’s uit de historische collectie van de Huiskamp Carosseriefabriek, de grootste en oudste producent van rouwauto’s.

De gangpresentatie The Last Image - die eigenlijk slechts een verwijzing is naar www.thelastimage.nl - raakte me het meest. Foto’s van mensen vlak voor hun dood. Het laatste ‘levende’ beeld. Theo van Gogh op de dag voor zijn moord, Elvis vlak voordat hij sterft op het toilet, maar ook onbekende mensen die soms enkele minuten voor hun einde springlevend zijn vastgelegd. Vooral als ze lachend op de foto staan is het beeld confronterend. Natuurlijk omdat het me herinnert aan mijn eigen eindigheid. Dat doet heel het museum. Op een prettige manier. Voor mensen die het lastig vinden om hun eigen dood te bespreken, maar dat wel graag willen lijkt ToT zover me een uitstekend instappunt. Cremeren of begraven dringt zich als gespreksonderwerp zo aan je op dat het raar is om niét te bespreken.

P.S. Aanstaande zondag 1 maart (tot en met 31 mei) opent de expositie van het prentenboek Het egeltje onder de oude boom. Het boek heeft als thema ziek zijn en sterven.

Geplaatst op 9 februari 2015
door Joke
Happy Birthday Chanel!
Niet alleen Nijntje wordt in 2015 zestig jaar, Chanels iconische handtas 2.55 mag eveneens vijf dozijn kaarsjes uitblazen. De laatste jubilaris laat mijn hart een klein sprongetje maken. Niet dat ik zo’n bloggers must-have bezit, of überhaupt overweeg om me op te geven voor een wachtlijst, want de 2.55 (prijs vanaf 3000 euro) koop je niet in de winkel, zoals u wellicht weet. Maar een mooie aanbieding op Marktplaats zou ik niet negeren.

De tas is stijlvol, elegant, praktisch - Coco Chanel ontwierp als werkende vrouw immers voor werkende vrouwen - en heeft het iets kittigs, pittigs. Net als het kleine zwarte jurkje, waarvan de mode-ontwerpster vond dat iedere vrouw er een van zou moeten bezitten. De kostbare tas is rechthoekig, meestal van leer met een doorgestikt ruitjesmotief. De gouden ketting als schouderband is geïnspireerd op haar tijd als halve wees bij de nonnetjes. Ook weer net als de kleur zwart van het kleine jurkje, overigens. Zwart was de kleur van werkvolk en weduwen en dus zeker niet voor robes van vermogende madammen. Behalve toen aan het einde van de Eerste Wereldoorlog de straten zwart zagen van alle rouwenden. Dat droevige zwart deed Chanel waarschijnlijk denken aan de nonnen, wier habijten (met constraterende witte kappen) Chanel altijd al inspireerde. Diezelfde nonnen liepen rond met een ketting - een chatelaine - om hun middel, waar allerhande praktische accessoires aan bevestigd waren. Naaigerei bijvoorbeeld, of een bestekkoker. Voor haar tas doorvlocht Chanel ze met leer, om irritant gerinkel tijdens het dragen te voorkomen. De binnenvoering van de tas is bordeauxrood, zodat de eigenaresse goed kan zien wat ze zoekt.

De tas heeft een speciaal vakje voor de lipstick en een voor liefdesbrieven! Sommige modellen hebben een dubbel flap, of een sluiting met logo. De code 2.55 slaat op de datum dat de tas werd gelanceerd, februari 1955. Het jaar van de eerste Sissyfilm en de opening van Disneyland. Chanel was toen al 70 jaar oud, overigens. De schoudertas was een instant hit in het door de New Look van Dior gedomineerde modebeeld - strak bovenlijfje, wijde rok, met een clutch (tas zonder hengsel) als handtas. De revolutionaire tas brak pas in de jaren 60 goed door en kan met goed fatsoen en eerbied een blijvertje worden genoemd.

Me dunkt dat dat een feestje waard is. Tassenmuseum Hendrikje doet dat met de tentoonstelling Happy Birthday Chanel!, waarvoor bijzondere bruiklenen zijn aangetrokken. Zo is de 2.55 van Marlene Dietrich te zien, evenals een opvallend exemplaar in de vorm van een Chanelpakje, nieuwe aanwinsten en een fotoreportage van de tas in de vijftiger jaren en nu. Dat alles geplaatst in de tijd. De tentoonstellingsfuif is dus niet alleen voor watertandende fashion victims leuk - die tot 1 maart meteen de tentoonstelling Forever Vintage mee kunnen nemen - maar ook voor liefhebbers van de nostalgisch neergezette jaren 50.

Tot 3 mei in Tassenmuseum Hendrikje

Geplaatst op 4 februari 2015
door Joke
Puberruil - Mauritshuis

Tijdens de verbouwing van het Mauritshuis afgelopen jaar, tourde Vermeers Meisje met de parel de wereld rond. Ze stal de show in Tokio, waar 10.000 bezoekers per dag haar bewonderden. Ons timide ‘Meisje’ werd een wereldster, want ook in Amerika trok ze volle zalen. En wel in The Frick Collection, net als haar Hollandse standplaats, een woonhuis dat een grote verzameling meesterwerken herbergt. Samen met Het puttertje en nog ruim 40 topstukken droeg het Meisje met de parel op die manier bij aan de verbouwing van haar thuis. En bezorgde ze tegerlijkertijd The Frick Collection een enorme stijging in het aantal bezoekers. In drie maanden tijd had het museum meer bezoekers dan normaal gesproken in een jaar!

Reden voor het museum om hún posterchild, het portret van de Comtesse d’Haussonville van Ingres, uit logeren te laten gaan in het Maurtishuis. Daar schittert ze nu tussen 35 andere overzeese meesterwerken, die het museum voor het eerst uit leent. Een prèmiere dus. Tevens bijt de tentoonstelling het spits af als eerste kunsttentoonstelling in de nieuwe Royal Dutch Shell-vleugel. Twee prèmiers dus! Een glamour die Comtesse d’Haussonville als vanzelfsprekend past. Zie die blik in haar ogen. Zie haar pose. En kijk één keer naar die rare arm, die uit haar buik lijkt te groeien. Dat is geen fout, het dient een doel: de Comtesse die sierlijke ‘s’-lijn geven. De selfie-houding uit de 19de eeuw, zo u wilt. Het Mauritshuis is namelijk druk bezig met een spin-off tentoonstelling over die typische lichaamshouding.

Twee pubermeisjes die van huis wisselen. De een verlegen, de ander out-going. Zo weinig als we weten over onze onbekende schoonheid uit Delft, zoveel is duidelijk over de ‘Comtesse’. Louise-Albertine, Princesse de Broglie, Comtesse d’ Haussonville was een opvallende verschijning in Parijs, was eveneens beeldschoon, genoot een hoge sociale status en had een onafhankelijke geest. Ze was de kleindochter van romanschrijfster Madame de Staël, van wie ze haar schrijftalent had geërfd. Comtesse Louise publiceerde meerdere boeken, onder andere een biografie van de dichter Lord Byron. Ze is even intrigerend als ons eigen ‘Meisje’. Het is niet voor niets dat beide meiden op posters en vlaggen staan en wereldwijd smachtende bezoekers een museumkaartje laten kopen.

Tot en met 10 mei in het Mauritshuis


Geplaatst op 2 februari 2015
door Joke
HEBBEN! Double Dutch Design

Een zwammenstoel, een lichtinstallatie als een zwerm vogels, een bronzen schop en riek. Het Noordbrabants Museum opende vorig week het Vincent van Gogh inspiratie jaar met de tentoonstelling Design uit het land van aardappeleters, de schilder is immers geboren in het Brabantse Zundert. Drie bekende thema’s uit Van Goghs Brabantse werk - eenvoud, boerenland en natuur - vormen de leidraad voor de selectie van ongeveer 85 bijzondere objecten en producten van onder anderen Maarten Baas, Studio Job, Piet Hein Eek en veelbelovende pas afgestudeerde ontwerpers.

Design is meer dan styling en een mooie buitenkant, wil de tentoonstelling zeggen. Design is werken aan vernieuwende, duurzame oplossingen voor maatschappelijke problemen. Zoals bijvoorbeeld de BiggenBodyWarmer (ook wel de ‘Piggy Bag’) die pasgeboren biggetjes warm moet houden. Van nature hebben zij namelijk geen bruin vet en kunnen ze snel onderkoeld raken. Heel lief om te zien, maar ik was vooral verliefd op de lichtinstallatie als een zwerm vogels. Die zou ik thuis wel willen hebben. Als ik groter zou wonen dan.

Het is oppervlakkig wellicht, maar zo kijk ik vaak naar kunst: zou ik het willen hebben? Of nee, eigenlijk dringt de hebberigheid zich op als ik iets moois zie. Zoals het kleed in buurmuseum Stedelijk Museum ’s -Hertogenbosch, waar tegelijkertijd (met hetzelfde toegangskaartje te bezoeken) de tentoonstelling How We Work new Dutch Design plaatsvindt. Hier laten veertien jonge Nederlanderse ontwerpers (twintigers, dertigers) niet alleen het eindresultaat zien, maar ook de weg er naar toe. Het maakt inzichtelijk hoe de vazen, theedoeken, stoelem en het houten kamerscherm - tot stand zijn gekomen. Deze generatie begint bij materiaal onderzoek, herontdekt technieken en hereikt het ontwerpproces. Bij de jonge designers draait het om de vraag wat te doen met de overdaad aan spullen, objecten en designprullaria. Dat alles leidt tot prachtige resultaten, waar ik ondanks het minimalistsiche gedachtegoed van de makers hebberig van word.

Tot en met 26 april 2015 in Het Noordbrabants Museum

Tot en met 17 mei 2015 in Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch

Geplaatst op 28 januari 2015
door Joke
Van Gogh en de jongste recensent

'Waarom heet het niet het Vincent Van Gogh museum?’ vraagt mijn negenjarige nichtje als we vanaf het Rijksmuseum het plein oversteken richting het Van Gogh museum en Het Stedelijk. Eerder die dag hebben we deelgenomen aan een familierondleiding in het Rijks en als enige van de kinderen wilde zij perse de rest van het museum bekijken. Het was de eerste keer dat ze in een museum was en ze vond het fantastisch. Over alles had ze een mening. ‘Zo mooi!’’Zo lelijk!’. Met mijn iPhone maakte ze foto’s. Ze wil al jaren kunstenares worden. Ze heeft er het karakter voor, het juiste oog en zeker de juiste interesse.

Tot mijn verbazing kon ze, huppelend over het plein, namelijk van alles vertellen over Van Gogh. Dat hij 2000 schilderijen heeft gemaakt, dat hij er tijdens zijn leven slechts een verkocht heeft en dat hij een broer had. Allemaal op school geleerd. Nu 2015 Vincent Van Gogh jaar is (op 29 juli is het 125 jaar geleden dat hij strief, vandaar), vermoed ik dat ze nog veel meer kennis zal vergaren. Het hele jaar door besteden Nederlandse musea aandacht aan de schilder onder het overkoepelende thema ‘125 jaar inspiratie’. Het Van Gogh Museum speelt vanzelfsprekend een hoofdrol. Vanaf december 2014 is er nieuwe vaste collectiepresentatie en vanaf september dit jaar is er een tentoonstelling over de parallellen tussen Munch en Van Gogh. Het resultaat van een jarenlange samenwerking met het Munch Museum in Oslo). In april is er in het Kröller- Müller de tentoonstelling Van Gogh & Co en in Brabant is er op vijf locaties de invloed van Van Goghs’ jeugd in deze provincie te zien.

Wellicht neem ik, als spik splinter nieuwe coördinator van MuseumService, mijn nichtje mee naar een van deze tentoonstellingen. Kijken hoe deze kleine critica het bezoek ervaart. Ze heeft namelijk niet alleen oog voor de kunst zelf, maar ook voor haar omgeving: het gebouw en de manier waarop de tentoonstelling aangeboden wordt. Zo was ze onder de indruk van de trappen in het Rijksmuseum. Ze lijkt me een goede graadmeter voor de kindvriendelijkheid van musea en ze zal mij op haar eigen manier kenbaar kunnen maken hoe het is gesteld met de sfeer, de mate van innovatie en vernieuwing.

Geplaatst op 2 september 2013
door Onno En Annelies
Musea als historische antropologie instellingen

Op de achterpagina van NRC Handelsblad stond onlangs het artikeltje Parijse slagerij werd rokersmuseum. Een privémuseum waarin het roken centraal staat, niet tabak of rookmaterialen. Er worden ook e-sigaretten verkocht (de sigaret blijkt namelijk passé te zijn; Fransen roken elektronisch). De auteur schreef het zelf al: Le Musée du Fumeur is een merkwaardig museum, vol met foto’s en objecten, zoals aardewerken pijpen, antieke aanstekers, snuifdozen en andere snuisterijen. Van dat soort musea zijn er meer in Frankrijk (en waarschijnlijk in de hele wereld).

Nogal wat jaren geleden belandde ik in het Nogamuseum in Montélimar - niet tot mijn plezier, want ik houd niet van noga. Afgelopen zomer reed ik langs het in een brochure als museum aangeprezen La maison du miel in de Hautes-Alpes (ik ben er niet naar binnen gegaan, want van honing houd ik evenmin). En ongetwijfeld is in een donkere bergkloof in de Auvergne het Saint-Nectaire-museum gevestigd, waar de geschiedenis en het productieproces van dit riekende kaasje worden tentoongesteld. De Saint-Nectaire kan ik overigens aanbevelen, maar eet ’m niet vroeg op de dag; daarvoor is ie te ‘zwaar op de tong’ en smaakt ie teveel naar vochtige kelder.

Wanneer is een museum een museum? Een museum is een gebouw, waarin voorwerpen van kunst of wetenschap worden tentoongesteld, zegt Van Dale. Dat is een wel heel Spartaanse beschrijving. Wikipedia noemt het museum een instelling die materiële en immateriële getuigenissen van de mens en zijn omgeving verzamelt, bewaart, onderzoekt en tentoonstelt en hierover informatie verstrekt voor studie, educatie en recreatie. Een vollediger beschrijving, vind ik.

Hoewel veel mensen musea waarschijnlijk zullen associëren met verzamelingen schilderijen, beeldhouwwerken en andere kunstvoorwerpen, en wellicht met verzamelingen van natuur- of technisch-historische wetenschappelijke voorwerpen of met gebouwen die aan bepaalde personen zijn gewijd, zegt Wikipedia naar mijn mening hier iets essentieels: het museum als verzamelplaats van materiële en immateriële getuigenissen van de mens en zijn omgeving.

Kan een honingmuseum zo beschouwd als museum worden aangemerkt? Of een museum over klompenmakers, wolspinners of touwslagers? Wis en waarachtig. Hoewel deze doorgaans lokale instellingen qua opzet misschien beperkt mogen zijn, verdienen ze wel degelijk de benaming museum. Ze vertellen ons veel over de streekgeschiedenis, de regionale economie, de mentaliteit van de omgeving en het dagelijkse leven van mensen in een gemeenschap gedurende een bepaalde periode. Ze geven een lesje in microgeschiedenis als vorm van cultuurgeschiedenis. Ze zijn instellingen voor historische antropologie.

Nederland telt talloze van dergelijke musea: het Nederlands Zilvermuseum in Schoonhoven, het Harlinger Aardewerkmuseum, Museum De Heksenwaag in Oudewater, Streekmuseum Het Dorp van Bartje in het Drentse Rolde, het Nederlands Leder en Schoenenmuseum in Waalwijk, het Nationaal Tinnen Figuren Museum in Ommen.

In het zomeravondgesprek tussen historicus Maarten van Rossem en kunsthistoricus Henk van Os, deze zomer in NRC Handelsblad, zegt Van Rossem: ‘Ik ben trouwens geen voorstander van een Nationaal Historisch Museum. In plaats daarvan zou je mensen Nederland moeten laten bereizen […].’ Van Os: ‘Dát is mijn ideaal. Precies wat jij nu zegt. Ik was ook zo tegen dat Nationaal Historisch Museum; Nederland is één groot museum.’

En daar ben ik het roerend mee eens. Wie de geschiedenis van Nederland wil leren kennen, zou eens wat vaker en bewuster in eigen land moeten rondreizen en al die lokale musea bezoeken.

Onno Kronenberg

Redacteur, historicus, pianist

abonneer je op
onze nieuwsbrief
Geplaatst op 28 juni 2013
door Joke
Welkom bij Museumservice

Welkom op de nieuwe website van Museumservice. Vanaf 1 juli 2013 zijn wij online en gaan wij functioneren als bemiddelaar tussen de museale branche en het bedrijfsleven.

Museumservice is in 2006 gestart door Marie Christine van der Sman, directeur van het Museon. De website had als uitgangspunt museale instellingen te helpen een leverancier te vinden van producten of diensten en tevens te fungeren als helpdesk waar bedrijven en instellingen terecht kunnen met museale vragen.

Na een aantal succesvolle jaren, met 80 bedrijven die aangemeld waren op de site en meer dan 400 museumprofessionals die de nieuwsbrief ontvingen en regelmatig de site bezochten, hervatten we onze werkzaamheden weer!

Met een vernieuwde vormgeving, een nieuwe coördinator en nieuwe features: een blog pagina waar professionals uit de museumwereld en uit het bedrijfsleven columns schrijven en nieuws pagina's waar bedrijven hun nieuwste producten, diensten en projecten presenteren. Ook maken wij een maandelijkse nieuwsbrief met het belangrijkste nieuws van de deelnemende bedrijven.

Ik nodig u van harte uit de website rond te kijken en input te leveren of vragen te stellen via de email: info@museumservice.nl.

Hester van Kranendonk,

Coördinator Museumservice

Geplaatst op 27 juni 2013
door Onno En Annelies
Beeldende kunst: daar zit muziek in!

Ga naar een tentoonstelling over een Franse impressionist - zeg Degas, Renoir, Monet, Caillebotte of één van al die andere toppers - en de kans is groot dat er ook een film wordt vertoond. Of dia’s, met een voice-over én … muziek! De muziekkeuze laat zich al raden: Satie of Fauré. Debussy of Ravel. Niet vreemd, want er is een duidelijke verwantschap tussen de impressionistische muziek en de impressionistische schilderkunst. Waar schilders het onmiddellijke beeld wilden weergeven, werd de impressionistische muziek sfeertekenend gecomponeerd. In de filmzaal van het museum versterken beeld en geluid elkaar. Je waant je in het Parijs van het einde van de 19e eeuw.

Jarenlang heb ik in een kamerkoor gezongen. We zongen veel liederen van Piazzolla. In het Spaans dus. Een taal die ik niet beheers. Eigenlijk wist ik dus niet precies wat ik zong. Heel erg vond ik dat niet, want de muziek vond ik belangrijker. Maar niet alle koorleden dachten daar zo over. Liederen zijn immers een combinatie van muziek en tekst. En sommigen vonden juist de tekst belangrijker. Je zingt immers een verhaal, zeiden ze dan. Ik houd het er maar op dat ook voor liederen geldt dat muziek en tekst elkaar versterken.

In de laatste opera van Richard Strauss, Capriccio, staat de vraag centraal wat in de kunsten belangrijker is: het woord of de muziek. Een vraag die de Haagse beeldend kunstenaar Pim Voorneman blijkbaar heeft geïnspireerd. Capriccio was namelijk tevens de titel van zijn tentoonstelling bij JCA De Kok centrum voor actuele kunst in de Haagse binnenstad. Bij binnenkomst legde Voorneman mij uit dat hij beelden van kunstenaars had gekoppeld aan door hen uitgekozen, bestaande muziek. En dat ik zou worden geconfronteerd met de vraag wat ik belangrijker zou vinden: het beeld of de muziek. Voorneman vertelde bovendien dat was gebleken dat bezoekers langer naar een beeld kijken als ze er muziek bij horen. Nou, ik was benieuwd. Met een mp3-speler en koptelefoon liep ik langs de beelden. En ja, het was waar. Want toen ik bij een tamelijk abstract kunstwerk belandde, een fluorescerend detail van een kleurenfoto in een stalen lijst, en tegelijk luisterde naar een polyfone compositie van Orlandus Lassus, bleef ik lang stilstaan. Langer dan ik normaal bij een dergelijk werk zou hebben gedaan. Waaruit je zou kunnen concluderen dat het beeld voor mij van secundair belang was.

Onlangs werd ik uitgenodigd om de leegstaande driehoekige Toren van Oud - de eerste wolkenkrabber in Den Haag, naast het World Forum, opgeleverd in 1969 - te bezichtigen en te beklimmen. Ben benieuwd of er in de toren ook muziek zal klinken. Arnold Schönberg bijvoorbeeld. En ja, dan ben ik ook benieuwd wat ik belangrijker zal vinden: de architectuur of de muziek. Of zullen ze elkaar versterken?

Onno Kronenberg,

Redacteur, historicus, pianist


Geplaatst op 27 juni 2013
door Marjory
We zijn jong en we kunnen wat!

Na vier jaar studeren ben ik een jaar geleden afgestudeerd als kunsthistoricus, in een roerige tijd. Er zouden mij, als ik mijn docenten mocht geloven, een zwart gat en een hoop bijbaantjes buiten de kunstwereld te wachten staan. Vastberaden mijn droom - conservator van een internationale topcollectie moderne kunst in een nader te bepalen museum - niet uit het oog te verliezen was ik bereid alles aan te gaan. De thuiszorg is immers zo slecht niet en ik zou tijd overhouden iets voor mezelf op te zetten. Een flinke portie geluk en toeval later kan ik vol trots melden dat ik sinds een jaar een goed begin heb gemaakt mijn droom waar te maken.

Na een stage en onderzoek in 2012 bij het Mondriaanhuis in Amersfoort besloot ik af te studeren op Mondriaan. Mijn enthousiasme voor de kunstenaar en zijn werk uit ik tegen wie het maar horen wil. Ik was dan ook bijzonder blij dat ik na mijn afstuderen in hetzelfde museum aan de slag kon. Ik kreeg de kans mijn scriptie om te zetten in een kleine tentoonstelling over de invloed van Bart van der Leck en ook mijn steentje bij te dragen aan volgende tentoonstellingen. Een jaar later werk ik er nog steeds met veel plezier en krijg ik steeds meer vrijheid en verantwoordelijkheid. De kansen en het vertrouwen dat ik krijg maken dat ik mijn vak kan uitoefenen en dat ik kan groeien in wat ik doe. Daarnaast ben ik zzp’er en hoop ik in de toekomst mooie projecten te mogen realiseren.

Helaas ken ik een heleboel anderen die dit geluk nog niet ten deel is gevallen. In mijn eerste blog wil ik hier graag aandacht aan geven. Na vele bezuinigingsrondes en reorganisaties zijn banen in de kunstwereld een zeldzaamheid geworden. Met regelmaat solliciteren enkele honderden mensen op één vacature, van jong en relatief onervaren tot gevestigde naam en overgekwalificeerd. Je kunt het de instellingen niet aanrekenen dat ze kiezen voor de ervaren sollicitant, als ze toch de keus hebben, maar jammer is het wel. Veel pas afgestudeerden in verschillende richtingen zitten thuis, solliciteren zich een ongeluk en ontvangen vervolgens afwijzing na afwijzing. Het zijn deze vooral twintigers die bij het aantrekken van de markt tussen wal en schip dreigen te raken. Zij krijgen niet de kans nu de ervaring op te doen die ze nodig hebben en over een paar jaar leggen zij het af tegen een lichting jongere afgestudeerden. Ik reken ook mezelf tot deze groep, omdat ook ik niet al te veel zekerheid heb in mijn baan, de nodige brieven heb verstuurd met als antwoord dat er 400 sollicitanten waren en ik simpelweg niet genoeg ervaring had. Hoe graag ik niet zou zien dat ook wij meer kansen en vertrouwen krijgen, dat we eens worden uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek (want ook dat is ervaring), met wellicht een positieve uitkomst. Er is talent genoeg. Ik ken zoveel jonge mensen die erg graag willen, bereid zijn keihard te werken en die ook zeker de benodigde kennis in huis hebben.

Daar tegenover staat ook dat de jonge professional het misschien niet moet hebben van een vaste aanstelling, maar van projecten of eigen initiatieven. We zullen voor onze eigen ervaring moeten zorgen en dat kan ook. Kansen krijg je niet altijd, soms moet je ze voor jezelf creëren om voor de buitenwereld zichtbaar te worden. Met wat lef doe je op die manier ervaring op en bouw je een netwerk op. Schrijf je in als zzp’er bij de Kamer van Koophandel en bied kennis en expertise aan. Ga schrijven over tentoonstellingen en stuur het maar naar tijdschriften. Ook hier zullen afwijzingen volgen en je krijgt veel kritiek voor je kiezen, maar leerzaam is het ook.

Een noemenswaardig initiatief is Alpha60, een online tentoonstellingsruimte die kunstenaars, auteurs en curators samenbrengt. Vier mensen hebben hun krachten gebundeld en hebben op een slimme manier een project opgezet waarmee zij zich kunnen presenteren aan een groot publiek. Ze stellen tentoonstellingen samen, schrijven teksten en presenteren deze gratis online op het internet, bereikbaar voor de hele wereld omdat het ook nog eens in het Engels geschreven is. Tegelijk geven zij ook anderen, hetzij kunstenaars of kunsthistorici, de kans een bijdrage te leveren en zichzelf zichtbaar te maken. Toegegeven, ik weet niet of zij ervan kunnen leven, maar ik vind het een uiterst slim begin van een carrière. Alpha60 is 24/7 beschikbaar op: www.alpha60projects.org

Marjory Degen,

Kunsthistoricus, werkzaam als zzp'er en bij het Mondriaanhuis Amersfoort als tentoonstellingsorganisator

Geplaatst op 27 juni 2013
door Jantine
Een grote stap

Mijn werkterrein vraagt er om dat ik mezelf met grote regelmaat op een tentoonstelling trakteer. Deze week verplaatste ik mezelf naar het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem vanwege de overzichtstentoonstelling van Alicia Framis. Ik was nieuwsgierig naar hoe een tentoonstelling zou worden ingericht door een kunstenaar die performances en publieksparticipatie tot een belangrijk onderdeel van haar oeuvre heeft gemaakt. Ontoegankelijkheid lijkt in Framis’ woordenboek niet voor te komen en toch vreesde ik een beetje een hermetische presentatie, iets wat op de loer ligt als vooral voorstellen, documentatiemateriaal en gebruikte objecten als stille getuigen kunnen worden opgevoerd. Framis’ getuigen zijn echter niet zo stilletjes. Ze kunnen ook binnen de beperkingen van een museum prima hun eigen verhaal vertellen. Zoals bijvoorbeeld de Anti-dog jurken, ontworpen door gerenommeerde ontwerpers, gemaakt van een speciaal brandwerend materiaal en bestemd voor allochtone vrouwen ter bescherming tegen uitwassen van discriminatie.

De indrukwekkende stille statigheid van de groep onbeweeglijke jurken wordt versterkt door de video die toont hoe ze in de praktijk worden getest. Bij een voetbalstadion staan de negen in het goudgeel gestoken dames opgesteld terwijl de supporters vooral zwijgend tussen hen doorlopen. Als een van de performers van pure spanning flauwvalt, blijkt een passant schokkend genoeg de beslissing te nemen simpelweg over haar heen te stappen.

Ach, had ik maar een fractie van de moed van deze Anti-dog dames, dan was het met de publieksparticipatie ook nog wat geworden misschien. Dan had ik het vast aangedurfd om mezelf met een van de creaties in de daarvoor bestemde pashokjes terug te trekken en misschien, met nog iets meer moed, had ik het hokje ook weer verlaten om het resultaat van mijn moed in de spiegel te bewonderen en, oh interactief hoogtepunt, daarmee een gesprek te laten ontstaan met mijn medebezoekers.

Interactiviteit in een kunstmuseum ligt nu eenmaal wat lastig. Dat het niet mijn persoonlijke probleem is, bleek wel uit de eenzame paskamers. Veel bezoekers lijken zo keurig geprogrammeerd dat als er bij wijze van uitzondering wel eens ergens aangezeten mag worden, ze dit bij voorkeur toch maar niet doen. En dat is eigenlijk precies waar Framis’ werk over gaat; ze sleutelt met haar voorstellen aan onze standaardinstellingen. Met de uitnodiging om haar jurken te passen, doet ze niet alleen een beroep op mijn moedigheid, maar vooral op mijn bereidwilligheid om dingen op een andere manier te doen of te bekijken. Met haar soms kinderlijk naïef ogende voorstellen, lijkt het idee van eenvoudige oplossingen voor complexe maatschappelijke problemen geen utopie. Alsof iedereen als een reus zonder moeite over die zeer diep ingesleten gedragspatronen heen zou kunnen stappen. Zoals de voetbalsupporter dat zo vanzelfsprekend en eenvoudig deed bij het model in de gele jurk.

Jantine Kremer,

Freelance curator en educator